VOOR EEN (V)REDEVOL NIEUW JAAR

ENFIN

WOLKEN METEN, HARTEKRETEN:
DAT WIJ DE ZON ZIJN KWIJTGERAAKT?
NIET VERGETEN, GOED OM WETEN:
DAT WIJ VAN STERRENSTOF ZIJN GEMAAKT?

MOGE TWEEDUIZEND (Z)ACHTTIEN
ZICH VAN ZIJN BESTE KANT LATEN ZIEN..

 

Advertenties

ME-TOO-SALEM

goose_2017_logoanimaton

Voor één of andere hoofdredacteur met trots de eerste, voor mij met ongeloof veeleer de laatste, en zelfs dàt niet. Ik wil het gewoon niet geweten hebben: zoveel voor zo weinig. Is dit een grap of om te huilen? Mijn hoed had sowieso al vier deuken, maar droeg ik nog klompen, ze waren gebroken, net zoals mijn gekrulde tenen. Alsof ik in een deeltjesversneller vol steenharde oogballen & wapperende handjes terecht ben gekomen. De exacte nabootsing van de oerknal kan niet ver af meer zijn, te horen aan het wervend geschater dat in heel het heelal is te horen dezer dagen.

Mie toe? Mijn benen desnoods & mijn deur. En ja weg wildebeest, ja weg gnuivende gnoe. Maar zie je die fronsen onder mijn frou-frou? Want waar zal die inmiddels verzuurde melkweg ons naartoe leiden: mannen naar de Mieke’s, vrouwen naar de Moeke’s? Wie pakt daar welke koe eigenlijk bij de horens? Het lijkt wel of Vrouwe Justitia zich een schuilnaam heeft aangemeten.

En wat zei Justificatia ook alweer? Just wait and see, er zit nog wat aan te komen..? Maar waarom in godsnaam zag die aankondiging er zo ongepast popelend uit, vraag ik mij zo eerlijk mogelijk af.
“Bijna tien al”, zei de schuilnaam ook nog. Daar is er dus ééntje bij die blijkbaar nog geboren moet worden. Dat zijn er dan toch (bijna) vijf per borst: nou Moe, it’s all up to you.
Maar waarvoor of voor wie heeft Anton van Wilderode ooit zulk een mooie zin verzonnen als ‘meer binnenwaarts dan met gebaar naar buiten’? Alvast niet voor de vrouw van dit jaar, zou hij zeggen.

Emancipatio, met Me-too-salem als zelfverklaarde hoofdstad? Zelf verkies ik alleszins om daar weg te blijven. Ware emancipatie heeft geen klaagmuur nodig, geen eindeloze sliert ‘ik-ookjes’ en geen vrouwmensen die, eenmaal aan het woord, hun onrustige bovenlijven tot halfweg op het tafelblad gooien, god mag weten waarom.
Je kunt ze kussen, mannen, maar ik zou het niet doen.

 

 

DAG VADER

tumblr_lqhtogdf9j1qm6y1co1_500

Dag vader in ’t donker ik denk er aan,
gij zakt steeds dieper in de grond.
Uw as in ’t plantgat op moeders graf,
één regenbui volstond

om mijn dorre gedachte ’t is mooi geweest,
te doen stinken naar stank voor dank.
Ik ween, ik wuif maar geraak niet meer
boven de vensterbank.

’t Werd moeilijk nog steeds iemands kind te zijn,
daar lag ik wakker van?
Thans tilt gij, dag vader, mij meer dan ooit
naar een hoger plan.

 

EN TOCH

birds_on_a_wire_by_kiwikero-d4qgxil

Van hak op tak gesprongen,
gekwaak versus gekweel;
volkomen schor gezongen,
de vogels in mijn keel.

Gekortwiekt & ontvleugeld,
door god mag weten wie;
hun zoet gezang beteugeld,
goodbye, close harmony?

En toch, ze blijven zingen,
extreem daartoe gebekt:
een lied vol hunkeringen,
een lied dat weemoed wekt.

 

 

VOIX GRAS

mg_goose_lasers_002

Ik ben een gans in ’t diepst van mijn gedachten?
Achternagezeten door dolle teerlingen en alzo in de vergeetput geraakt
of in de gevangenis, wachtend op verlossing? Nee, niet van het ganzenbord
afgelopen en ook geen vette gans die zichzelf bedruipt.

°

Ik voel me eerder dwangmatig gevoed met een veelal misselijkmakende
maïspap van berichten, meningen & opmerkingen, via de mondiale trechter
die me telkens opnieuw in de strot wordt geramd. Vetmesters van allerlei
slag die me komen vertellen wat ik overal van moet denken of moet vinden,
mijn kolkende hals in hun ijzeren greep.

°

Het eigen povere gedacht is sowieso nooit het juiste,
want o zo onvolkomen. Niks nog op de eigen mensenmaat, mijn strot
bloedt er van, ik krijg de vette brij niet eens meer overgegeven:
het zàl & het moèt worden verteerd. Zoals Plato al zei:
alleen de doden hebben het eind van de oorlog gezien.

°

Mijn roodbruin gemoed van normaal gesproken 100 gram
weegt inmiddels meer dan een kilo, heeft zijn eigen kleur verloren,
en is in tegenstelling met de zieke levers van de Toulouseganzen, verre
van lekker, zelfs dàt niet. Een domme gans die als enige gelooft dat
de kiekens hooi eten, maar kijk, ze sterven nog liever van honger.

°

Vervolgens is het donker & koud geworden in mijn Galleria Lapidaria,
de onderaardse gedachtengang die mijn oude & nieuwe bevindingen
met elkaar verbindt. Mijn innerlijke schrijfmachine -macchina da
scrivere- begint zich stroef te gedragen en mist de ‘capitole’ letter u.
Heer dicht bij u wil ik kwaken?

MotteGeese-5682d36d5f9b586a9ef8a162

Vergeef het mij, Juno Moneta, mijn waarschuwende raadgeefster,
dat ik, hoewel gans een gans, uw tempel op uw zevende heuvel
niet efficiënt genoeg weet te ‘bekwaken’.
Een gans die niet eens weet hoe ze fatsoenlijk moet gaggelen,
die laat maar begaan, dus men valt aan, ik weet het.

Scan 233

Een gans blaast wel maar bijt niet, en men plukt haar zo lang
ze veren heeft? Ooit zal ik schrijven, wie weet, met mijn laatste veer,
verlost van elke vetmesterij: ik voel me zo moederziel alleen maar mezelf,
in een alfa-bed zonder u. Ook niet alles, nondedju.

 

VEERKRACHT

Pauweveren

Maar kom, we gaan ze toch niet zomaar weggooien,
die gekneusde pauwenveren? ‘The vibrant, almost neon
effect of the Peacock Palette is fascinating‘ en dat blijft zo,
er valt sowieso nog wat moois van te maken, ja toch?

Zoals een strik waar geen enkele valstrik nog tegenop kan,
of schoenclipsen om het laag-bij-de-grondse mee op te fleuren.
Oorhangertjes die je zullen doen lachen met onnozele praat,
en waaiers om ’t ongewenste wat vrolijker mee weg te wuiven.

Haarspelden die je ogen op de rug zullen bezorgen,
of hangers vol alziende ogen ter bescherming van je borsten.
Alsook een krans die er nog altijd een goed oog in heeft,
in de veerkracht van ‘ik-maak-er-graag-weer-iets-moois-van’.

 

KOM VAN DAT DAK AF?

pauw3

Vrouwen, hou er mee op, het moet anders.
We vervallen in het oeroude beeld
op de al even oude speelplaats van de lagere school:
-“Wacht maar manneke,
mijn franke zus zal u wel eens een poepke laten ruiken!”

Ja kom zeg, het hele land stinkt er inmiddels naar,
en mijn god, bespaar ons de geur van franke zussen hun poepkes.
Waar zijn we nu toch helemaal mee bezig, vrouwmensen?
Kunnen we nu echt geen beter verweer verzonnen krijgen
dan de boomerang?

De stapels branden, de palen schanden,
please computer, say “NO!”

 

KOUDE KERMIS

Will Barnet

Ineens verloor het huis onzer jeugd z’n laatste bewoner: onze vader.
Te weten, de verknochte bezitter ervan en de laatste van de tien die er onder dezelfde naam hebben gewoond.

En wat blijkt: het huis is er zo ziek van geworden als een hond. Het lekt plots van verdriet, het trekt de versleten linten kapot van de ‘blaffeturen’ en begint zichzelf zienderogen te verwaarlozen. Omdat het niet kan wenen, omdat het niet kan blaffen, omdat het zich zo verlaten voelt door zijn oude getrouwen.

Vaders dood, daar was niet tegenop te tornen. De nog doorstromende zorg om zijn broos geworden welzijn sloeg meteen als een vonkende kortsluiting over op het huis. Als een bliksem via een donderroede, tijdens het innerlijk onweer dat losbrak, op het moment dat vader er in volkomen weerloosheid werd buiten gedragen.

Tijdens de eerste nachten die daarop volgden -thuis in het eigen bed plots ver van huis- was de donkerte & de stilte in het nu zo verlaten vaderhuis
niet te verdragen, was er de onweerstaanbare drang om er in gedachten de vertrouwde dingen gerust te gaan stellen, en om er vaders rondzwervende ziel een beetje gezelschap te gaan bieden.

Doch het kwam veeleer neer op janken als een gewond dier, op geblaf tegen de maan achter de donkere ramen. Om uiteindelijk te merken, dat het huis er nog erger aan toe was dan het eigen bezeerde zelf, in de wetenschap: ze gaan mij verlaten, ze gaan mij afdanken. Vader had het daar bij leven al moeilijk mee want hij was terecht zeer gehecht aan zijn huis. Hoe klonk het uit oude kindermond, niet eens zo lang geleden?

-“De volgende bewoners gaan even blij zijn met dit huis als wij dat zijn geweest, en dat moeten we hen dan maar gunnen, hé vader…” Jaja, dat was mooi praten, indachtig de koude kermis die ons nu staat te wachten: leeg maken waar wij een leven lang vol van zijn geweest, daar timmer je toch een beetje je eigen kist mee in mekaar?

 

ZUSJE LIEF..

Scan 223.jpeg

Zijn ze van ons weg gevlogen,
al die jaren van weleer:
zwaluwen die zienderogen
stipjes worden, zonder meer?

Zie ze vluchten, zie ze vliegen,
het wordt koud in vaders huis:
er valt niet meer om te liegen,
we zijn ver van feestgedruis?

Maar het is zo goed om weten,
in de zucht naar schone schijn:
zwaluwen die nooit vergeten
waar hun oude nesten zijn.

Keren weder om te broeden,
keren weder, na de kou:
om ons gierend te behoeden
met hun hartenkreet: onthou!

HOME SWEET HOME

b4b7c7fceaddef0fe85037d3d3b9caa6

Hier is uw leven & daar is uw dood:
of ouwe taaie laat je broek maar waaien, want er zit geen elastiek meer in?
Sterven duurt maar één seconde, dat is 25 vleugelslagen van een kolibrie,
staat er te lezen in ‘Restletters’ van Jeroen Brouwers.
Doch het leven verklaart zich nader en de spiegels worden steeds kwader:
sterven duurt een leven lang, dat zijn miljarden vleugelslagen van miljarden
kolibries. Je zou van minder naar adem snakken:
sterf, en je mond gaat open.

Vader, zij die nog leven groeten u.
De denkbeeldige monniksgroet ‘porta patet magis cor ‘(de deur staat open,
het hart nog meer) lijkt niet meer van kracht, sinds jij als laatste getrouwe
ons huis voorgoed hebt verlaten? Dicht nu: de deuren, de ramen,
de gordijnen. Dichtgeslagen: de boeken, de dekens, de zorgmap van
Landelijke Thuiszorg. De hulpverleningslijst is sinds half augustus niet
meer afgevinkt, de ontlastingsstatus blijkt van geen enkel belang meer,
en dat hagelwitte spekvet in de koekast, speciaal voor jou gesmolten,
wie lust dat nog, wie zal dat nog smeren?

Het huis is verbouwereerd, net zoals wij. Geen hartslag meer, geen getik
meer van de klok. Zoveel hout nog op het terras, zoveel vuur dat niet meer
zal branden. Wat zullen wij tegen de dingen zeggen, tegen elkaar
en tegen onszelf: hij zal er nooit meer zijn? Father has left the building,
na er 65 jaar lang te hebben vertoefd. Buiten gedragen op een smalle berrie,
in een donkerblauwe fluwelen zak met koorden er rond, want men moest
met hem langs de trap een verdiep naar beneden, daar had hij vast
van te voren al aan liggen denken.

Niets zal vergeten zijn? We stonden er ademloos bij, maar er ging een
schrijnende schreeuw door ons huis, onhoorbaar want voorbij de geluidsmuur.
De roffel als een ruwe schaaf: “Jos Martens is gestorven..”
De plaats waar ooit een mens is geweest, is nooit meer verlaten’
zei de dichter César Vallejo, toen wij naar woorden zochten om vaders
dood te begrijpen.

Even later vonden wij een witte roos op zijn hoofdkussen, in plaats van
zijn hoofd dat wij niet meer konden kussen.
Wanneer zullen wij in staat zijn om die roos daar weg te nemen?

IMG_7028