Ook al zijn ze ‘t nooit écht van plan, soms doen ze ‘t ineens dan toch: dood gaan. Moeder.. vader.. geliefde.. vriend.. kind.. om van andere opzien barenden dan nog te zwijgen. Ze zuchten, ze zweten, ze draaien zich om als wentelteefjes in een hete pan en voilà: ze zijn gebakken.
-”Eruit jij, als je niet aan wil branden!”
-“Maar ik lig er nog maar pas in!”
Dat ontzagwekkende doch dodelijke doodgaan: een schreeuw in de nacht, terwijl wij zouden willen dat het een wonderlijke fluistering was? Een gruwelijk gat in de grond onder onze voeten, in plaats van een opstijgende rookpluim die het hart verheft?
Hoe dan ook, het is alsof we een rotsblok moeten zien te wegen met een tiltslagend goudweegschaaltje. Begin er maar aan.
Je zou haast met zekerheid kunnen zeggen:
-”Dat is onmogelijk, en trouwens, die rotsblok heeft waarschijnlijk mijn weegschaaltje verpletterd!”
Dan valt er dus nooit nog iets fijns te wegen, laat staan op z’n ware gewicht te schatten? Dan kan er dus van ‘balans & schaal’ geen sprake meer zijn?
-”Laat me vloeken, laat me gerust, laat me doen: ik moét er iets op vinden!”
Springstof…hamer & beitel… steenvergruizer… of toch maar weer de ‘zachte krachten’ van Henriëtte Roland Holst?
Rotsblok, ik rol je naar een rivier, daar weeg je niet zo zwaar & en het stromend water zal je scherpe kanten schuren.
Kom ik er zo nooit achter, hoe zwaar je precies weegt? So what. Zingt Bram Vermeulen :”Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde!” zo zie ik het water een omweg maken voor jou. It ‘s a deal, rocky rock?
‘Groots en meeslepend wil ik leven! Hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis!” schreeuwde Hendrik Marsman. Versus: “We kunnen ons leven beschouwen als een nodeloos storende episode in de gelukzalige rust van het niets”, zoals depri Schopenhauer het stelde.
Gehad & geweest is een lelijk beest? Het valt wel, maar niet mee. We voelen ons moeilijk?
Dan zullen wij Komrij er nog maar eens bijhalen zeker?
-”Het omgaan met schuldgevoelens noemen ze dat in gelovige kringen. Het omgaan wil wat. Omgaan met jezelf, omgaan met sterven. Taal uit de wollige kringen, die het er, als zo euthanasie bedoelen, ook over hebben ‘dat de bodem van het menszijn is bereikt’.
-”Hoogleraar Verliesverwerking! ‘t Bestaat! Ik moet bij die man nodig college gaan lopen. Ik tob al jaren over een manchetknoop die ik kwijt ben.”
Maar kom, er is vooral veel verdriet dat zich verbijt?
Laat je de bek dan maar openbreken door Ida M.G. Gerhardt:
“Hier rust, met stof gevuld de mond,
zij, die mij heeft gedragen;
zij, die mij naar het leven stond
in al mijn dagen.
En nu haar lichaam moet vergaan,
nu is zij in mij opgestaan.
-Ik kan haar niet verslaan.-“
Echter, -’O Rijkdom van het Onvoltooide’- dan zou je dit vers van Jan Hendrik Leopold, Gerhardt’s leraar & vriend, toch op z’n minst weer een doekje voor het bloeden kunnen noemen:
“O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleeke oogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn”.
Ben je gaan hemelen, mijn goede pas gestorven Vriend? Joehoe, ik ben dat wuivend stipje, dat haar lachje probeert te redden…









